Moet Mediawet op de schop om lineaire tv bij Ziggo en KPN aantrekkelijk te houden?

Steeds meer Nederlanders zeggen hun lineaire tv-abonnement op. Dit zogenoemde cordcutten neemt al jaren toe: waar in 2021 nog 7,5 procent van de huishoudens geen lineair abonnement had, is dat percentage inmiddels fors gestegen. Kijkers stappen massaal over op streamingdiensten als Netflix, Disney+ en NLZIET, en beleven live tv-momenten via OTT-platforms. Daarmee verliest lineaire tv voor providers als Ziggo, KPN, Odido en DELTA zijn onderscheidende kracht.
Verplichting van 30 zenders
Tegelijkertijd zit er een opvallende rem op vernieuwing in de Mediawet. Sinds 2014 moeten pakketaanbieders een digitaal standaardpakket van minimaal 30 televisiezenders aanbieden. Bovenop de zogenoemde must carry-zenders - de publieke landelijke, regionale, lokale en Vlaamse omroepen - vult de provider dat aantal verplicht aan. Pas boven die 30 zenders mogen aanbieders kanalen in betaalde pluspakketten spreiden.
Tijd voor een lager minimum?
De vraag dringt zich op of die ondergrens nog past bij het kijkgedrag van 2026. Een minimum van bijvoorbeeld 10 zenders zou providers ruimte geven om een goedkoper, slanker instappakket te bieden. Voor de groeiende groep kijkers die vooral online kijkt, maar het journaal en een handvol favoriete zenders niet wil missen, kan dat een aantrekkelijk alternatief vormen voor volledig cordcutten. Dit kan gezien worden als meer betaalbaar alternatief voor het zelf samenstellen van het televisiepakket, ook wel tv a la carte genoemd, Dit is de wens van mening consument. In praktijk blijkt echter dat deze vrije keuze een tv-abonnement met minder zenders nog prijziger als nu maakt.
Diversiteit versus keuzevrijheid
Critici waarschuwen dat een lager minimum de pluriformiteit en de positie van commerciële omroepen onder druk zet; die zijn voor bereik en reclame-inkomsten afhankelijk van een breed pakket. Eerder onderzoek liet al zien dat het standaardpakket geschrapt kan worden zonder grote nadelige effecten. Een herziening die keuzevrijheid en betaalbaarheid centraal stelt, lijkt rijp voor de politieke agenda.





