Nederlanders tevreden over provider: overstapprikkel ook met kortingen onvoldoende

Internet en televisie lijken tussen alle andere vaste lasten misschien geen grote kostenpost. Voor een gemiddeld huishouden valt dat inderdaad mee. Maar voor Nederlanders die van een minimuminkomen moeten rondkomen, ontstaat een heel ander beeld. Een regulier internet- en tv-abonnement kan meer dan 4 procent van het maandinkomen opslokken. Juist deze huishoudens horen tot de groepen die minder makkelijk van provider wisselen en daardoor hoge welkomstkortingen mislopen.
Internet en tv kosten al snel bijna 60 euro
De actuele reguliere prijzen maken duidelijk om welke bedragen het gaat. Bij KPN kost 200 Mb/s internet momenteel 45 euro per maand. KPN TV+ met tv-zenders kost daar 12,75 euro bovenop, waardoor het totaal op 57,75 euro uitkomt. Bij Ziggo, onderdeel van VodafoneZiggo, kost 200 Mb/s met TV Start momenteel 58,40 euro. Odido rekent na afloop van de huidige actie minimaal 51,50 euro voor 100 Mb/s met televisie. Daarmee kost een gangbaar instappakket voor internet en basis-tv bij deze grote providers zonder tijdelijke korting ongeveer 50 tot 60 euro per maand. Wie aanvullende zenderpakketten, hogere snelheden of extra tv-ontvangers gebruikt, is meer kwijt.
Voor het gemiddelde Nederlandse huishouden is dat nog relatief overzichtelijk. De nieuwste beschikbare CBS-cijfers, in juli 2026 bijgewerkt, plaatsen het gemiddeld besteedbare huishoudinkomen in 2024 op 47.600 euro per jaar. Dat is bijna 3.967 euro per maand. Een abonnement van 51,50 tot 58,40 euro vertegenwoordigt daarvan ongeveer 1,3 tot 1,5 procent. Bij het gemiddelde besteedbare inkomen van 60.200 euro per jaar daalt dat zelfs naar ongeveer 1,0 tot 1,2 procent.
Bij laag inkomen loopt percentage snel op
Onderaan de inkomensladder verandert die rekensom al snel. Een alleenstaande tussen 21 jaar en de AOW-leeftijd ontvangt sinds 1 juli 2026 maximaal 1.419,46 euro bijstand per maand, inclusief vakantiegeld. Een internet- en tv-abonnement van 51,50 euro neemt daarvan 3,6 procent in beslag. Bij 58,40 euro loopt dat op tot 4,1 procent. Daarbij zijn huur, energie, boodschappen, zorgverzekering en andere noodzakelijke uitgaven nog niet betaald. De vergelijking is niet volledig één-op-één omdat huishoudens bijvoorbeeld toeslagen kunnen ontvangen, maar duidelijk is wel dat dezelfde telecomrekening voor een laag inkomen relatief drie tot vier keer zo zwaar weegt als voor een gemiddeld huishouden. Zo zijn de kosten voor huisvesting gemiddeld tussen de 600 en 1100 euro per maand. De energierekening ligt tussen 200 en 300 euro per maand. En voor zorg inclusief eigen risico moet al snel 200 euro van het beschikbare maandbudget worden gereserveerd. Zeker voor huishoudens die moeten leven van een lagere inkomen kan de uitgave voor tv en internet als een basis levensbehoefte dus de nodige impact hebben.
Het recentste CBS-armoedecijfer bevestigt dat betaalbaarheid voor een aanzienlijke groep relevant blijft. In 2024 werd 4,2 procent van de particuliere huishoudens als arm aangemerkt. Dat zijn omgerekend ongeveer 347.000 huishoudens. Voor een alleenwonende lag de officiële armoedegrens dat jaar op gemiddeld 1.600 euro per maand.
Hoge korting bereikt maar kleine groep
Opmerkelijk is dat providers tegelijkertijd honderden euro's gebruiken om nieuwe klanten binnen te halen. Odido biedt nieuwe klanten bijvoorbeeld momenteel internet en tv gedurende de eerste twaalf maanden voor 20 euro per maand aan. Daarna stijgt het goedkoopste pakket naar 51,50 euro. Alleen al gedurende het eerste jaar bedraagt het verschil met die reguliere prijs 378 euro. Met het eigen B-merk Simpel breekt Odido om dit moment de markt open met een instapprijs van 18 euro per maand voor internet-only berekent over de hele contacttermijn.
Ook KPN, Ziggo en DELTA werken met forse tijdelijke kortingen of cadeaus. Het probleem is dat slechts een relatief kleine groep consumenten daar structureel van profiteert. Volgens de meest recente analyse van de Consumentenbond stapte afgelopen jaar slechts 9 procent daadwerkelijk over naar een andere provider. De ACM stelt tegelijkertijd vast dat bij 79 procent van de vaste internetabonnementen de eerste contractperiode al voorbij is.
Dat lijkt tegenstrijdig met het ACM-cijfer dat een kwart van de consumenten in een jaar actie ondernam. Dat percentage omvat echter niet alleen overstappers, maar ook klanten die bij hun huidige provider een nieuw contract afsloten. De daadwerkelijke beweging tussen providers blijft dus veel kleiner.
Trouwe klant betaalt voor korting nieuwe klant
Daarmee ontstaat een opmerkelijk verdienmodel. Providers geven een relatief kleine groep actieve consumenten honderden euro's voordeel om binnen te komen, terwijl een veel grotere groep jarenlang blijft zitten en jaarlijks prijsverhogingen krijgt. De Consumentenbond berekende onlangs dat klanten die sinds 2020 bij KPN, Odido of VodafoneZiggo zitten inmiddels 25 tot 30 procent meer kunnen betalen dan bij aanvang van hun abonnement. Een oude KPN-klant met het goedkoopste internetabonnement uit 2020 betaalt volgens de bond inmiddels 54,64 euro, terwijl de huidige standaardprijs voor het instapabonnement 44 euro bedraagt. Om dit verhaal eerlijk te houden, moet wel gemeld worden dat in deze periode ook de lonen en uitkeringen door inflatiecorrectie flink zijn gestegen.
Dat roept de vraag op of de markt zijn kortingsbudget wel op de juiste plaats inzet. Wanneer slechts ongeveer één op de tien klanten werkelijk overstapt, worden hoge welkomstkortingen vooral betaald om een kleine, prijsbewuste groep klanten tussen providers heen en weer te laten bewegen. Providers hebben dus de schijn tegen. Ze klagen dat de concurrentie hen dwingt hoge welkomskortingen aan te bieden en hierdoor de marge op verkochte abonnementen slinkt. Het lijkt er echter meer op dat de huidige situatie voor hen gunstiger is dan door hen wordt uitgesproken.
Volledig stoppen met welkomstkortingen heeft overigens ook een nadeel. Juist aanbiedingen zetten concurrenten onder druk om klanten van elkaar af te pakken. Zonder die prikkel kan de prijsconcurrentie afnemen. Een betere middenweg lijkt daarom minder extreme welkomstkortingen, gecombineerd met structureel betere tarieven voor klanten die blijven.
Trouwe klant belonen in plaats van bestraffen
Dat model bestaat al. Volgens de Consumentenbond werken kleinere providers zoals TriNed en Freedom Internet met het uitgangspunt dat klanten na een eventuele actieperiode op hetzelfde netwerk dezelfde reguliere prijs betalen, ongeacht hoelang zij al klant zijn. De grote providers DELTA, KPN, Odido en VodafoneZiggo hebben een oproep van de Consumentenbond om een vergelijkbaar gelijkheidsmodel in te voeren vooralsnog afgewezen. En eigenlijk is dit – hoe gek dat het ook klinkt – een geluk voor de Consumentenbond. Deze organisatie verdient veel geld aan het verkopen van nieuwe abonnementen aan overstappers. Als dit via de internetsite van de Consumentenbond gebeurt, ontvangt het van de betreffende provider een vergoeding. Meer overstappers, betekent dus meer financiële vergoeding. Consumentenbond is op de eigen internetsite hierover wel transparant.
Ook de ACM ziet het probleem. De toezichthouder wil dat providers klanten actiever informeren wanneer hun contractperiode is verstreken en welke voordeligere tarieven beschikbaar zijn. De ACM kan prijsverschillen tussen oude en nieuwe contracten echter niet rechtstreeks verbieden en heeft de wetgever daarom gewezen op de mogelijkheid om te bepalen dat een passieve klant nooit meer betaalt dan de actuele standaardprijs.
Dat zou de markt overzichtelijker maken: een tijdelijke introductiekorting voor nieuwe klanten, gevolgd door één normale prijs voor iedereen. Loyaliteit leidt dan in ieder geval niet langer automatisch tot een hogere rekening.
Is het tijd voor sociaal internet?
Daarmee blijft nog één groep over waarvoor zelfs een eerlijke standaardprijs hoog kan zijn. De vraag of huishoudens met een laag inkomen een speciaal internetabonnement moeten kunnen krijgen, speelt al langer in Den Haag. De Telecommunicatiewet bepaalt zelfs dat adequate breedbandinternettoegang voor consumenten tegen een betaalbare prijs beschikbaar moet zijn. Toch besloot het kabinet eind 2025 dat een landelijke regeling voor sociaal internet niet nodig was. Na overleg met telecombedrijven, ACM en andere organisaties koos het kabinet vooral voor lokale hulp en maatwerk. Een belangrijk argument was dat een landelijke regeling uitvoeringskosten met zich meebrengt en reguliere internetprijzen volgens eerder onderzoek internationaal niet uitzonderlijk hoog zijn.
Het financiële probleem zit echter niet alleen in de absolute prijs. Een rekening van 50 euro kan voor een huishouden met 5.000 euro inkomen nauwelijks voelbaar zijn, terwijl hetzelfde bedrag bij een inkomen rond 1.400 euro een wezenlijk deel van het vrij besteedbare budget opeet.
België laat zien dat sociaal tarief mogelijk is
België kiest daarom wel voor een landelijke regeling. Daar bedraagt het wettelijke maximum sinds februari 2026 20 euro per maand voor sociaal vast internet. Een combinatie met een andere telecomdienst, waaronder televisie, mag maximaal 42 euro kosten. De minimale internetsnelheid is 30 Mbit/s en er moet ten minste 150 GB data beschikbaar zijn. Proximus, Telenet en in bepaalde gebieden Orange Belgium zijn verplicht dit aanbod te leveren.
Een Nederlands sociaal internettarief van bijvoorbeeld 20 tot 25 euro zou de last voor een alleenstaande op bijstandsniveau terugbrengen naar ongeveer 1,4 tot 1,8 procent van het inkomen. Een eventueel basispakket met televisie kan duurder zijn. De Belgische grens van 42 euro zou bij dezelfde Nederlandse bijstandsnorm ongeveer 3 procent bedragen. Daarbij hoeft Nederland het Belgische model niet letterlijk te kopiëren. Een snelheid van 30 Mb/s en een datalimiet passen steeds minder bij de Nederlandse markt. In het eerste kwartaal van 2026 had al 91,6 procent van de huishoudens een internetaansluiting van ten minste 100 Mb/s. Een eventueel Nederlands sociaal abonnement zou daarom eerder aan 100 Mbis zonder beperkende databundel moeten worden gekoppeld.
Tevredenheid speelt rol
Uit onderzoeken blijkt dat tevredenheid over de provider en geleverde diensten zoals snelheid en stabiliteit een belangrijke reden is voor consumenten om bij de huidige provider te blijven. Het overstappen om extra korting te ontvangen, wordt als ingewikkeld en moeilijk ervaren. Daarnaast is de verwachting dat een andere provider een betere dienst levert niet of nauwelijks aanwezig. Omdat het voor de meeste Nederlanders slechts 1 tot 2 procent van het besteedbare inkomen opslokt, is de overstapprikkel in het geva; dat de geleverde diensten als goed worden ervaren uiterst laag.
E-mailadres en apparatuur
Naast prijs en tevredenheid bestaan praktische drempels. Een daarvan is het e-mailadres van de internetprovider. Providers moeten consumenten na een overstap nog zes maanden toegang geven tot het oude mailadres. Bij Caiway, DELTA, Freedom Internet, KPN, Online.nl en Solcon kan het adres daarna tegen betaling als losse dienst worden behouden. Bij Ziggo kan dat niet: na zes maanden vervalt het e-mailadres definitief. Ook apparatuur kan extra werk opleveren. Modems, tv-ontvangers en wifi-apparatuur zijn afhankelijk van aanbieder en abonnement gekocht, gehuurd of in bruikleen. Apparaten die eigendom van de provider blijven, moeten na beëindiging worden teruggestuurd. De retourtermijn verschilt. Ziggo vraagt geleende apparatuur bijvoorbeeld binnen veertien dagen na de opzegging of wijziging terug en kan kosten rekenen wanneer dit niet gebeurt.
Een nieuwe modem krijgt bovendien vaak standaard een andere wifi-naam en ander wachtwoord. Wie die instellingen overneemt van de oude modem, hoeft overigens niet noodzakelijk alle telefoons, televisies, printers en andere apparaten opnieuw te koppelen. Ook de fysieke aansluiting kan een rol spelen. Wie van kabel naar glasvezel verhuist terwijl in de woning nog geen bruikbare UTP-netwerkstructuur aanwezig is, kan te maken krijgen met de de aanleg van nieuwe kabels binnen de eigen woning. Of daarvoor een monteur nodig of toestemming van een verhuurder of VvE nodig is, verschilt per woning, netwerk en de technische vaardigheid van de betreffende consument.





